Menu

Marktinzicht

1e kwartaal 2019

Inhoudsopgave

  1. Beursontwikkelingen
  2. Economisch beeld
  3. ECB
  4. De Brexit
  5. Vooruitzichten

1 Beursontwikkelingen

Het koersherstel dat na de kerstdagen was ingezet, nadat medio december 2018 de internationale beurzen in een vrije val waren geraakt, zette zich na de jaarwisseling op spectaculaire wijze voort. Vrijwel onafgebroken stegen de aandelenbeurzen gedurende het eerste kwartaal verder, waardoor de daling die zich tijdens het vierde kwartaal van het vorige jaar had voorgedaan meer dan goed werd gemaakt. Het eerste kwartaal van 2019 werd dan ook met een eclatant resultaat afgesloten. De MSCI World Index steeg met maar liefst 13,9% en op basis van herbelegging van het dividend zelfs met 14,5%. Daarmee werd het all-time high van 3 oktober 2018 aangetikt, dat op de eerste beursdag van het tweede kwartaal zelfs werd overtroffen. Doordat de rente bleef dalen, kon op het obligatiefront nog een kleine plus van 1,9% worden behaald op leningen met een gemiddelde looptijd van vijf tot zeven jaar. Het rendement van leningen met een looptijd van één tot drie jaar bedroeg slechts 0,1%.

 

De onderstaande grafiek toont duidelijk aan dat de aandelenbeurzen gedurende het eerste kwartaal wereldwijd zeer fors zijn gestegen. Daarbij valt uiteraard de ontwikkeling van de Chinese beurs op die maar liefst met 24% steeg, in euro’s gemeten zelfs bijna met 30% als gevolg van een in waarde toegenomen yuan. Toch dient deze ontwikkeling enigszins gerelativeerd te worden. Wanneer we naar dezelfde grafiek kijken in de toelichting op het vierde kwartaal, zien we dat de Chinese beurs over het gehele jaar 2018 in euro’s gemeten met ruim 25% is gedaald. Vanaf dat sterk verlaagde niveau is er dus in het eerste kwartaal bijna 30% aan waarde bijgekomen. We zouden ook kunnen zeggen dat de Chinese beurs sinds 1 januari 2018, ofwel gedurende vijf kwartalen, met 3,2% is gedaald! Daarin is dus de enorme koersstijging van het eerste kwartaal verwerkt. Kortom, het is verstandig om deze okergele lijn in de grafiek even buiten beschouwing te laten.

 

 

De blauwe lijnen tonen de uitstekende ontwikkeling van de Amerikaanse beurzen. Aan kop de meest representatieve index, de S&P 500 met een stijging van ruim 19% en de technologiebeurs Nasdaq met een stijging van bijna 16%. De ontwikkeling van de Dow Jones Industrials (met donkerblauwe lijn) verloopt in de laatste maand van het eerste kwartaal duidelijk vlakker. Dit is het gevolg van de perikelen waarmee Boeing te maken heeft als gevolg van de twee crashes van de Boeing 737 MAX in Indonesië en in maart in Ethiopië. Boeing heeft als één van de dertig industriële ondernemingen een groot gewicht in de Dow Jones Industrials. De Dow Jones steeg het eerste kwartaal met 13,6%.

 

De Europese beurzen liggen duidelijk lager dan de beurzen in Amerika. Opvallend is het cluster van vier groene lijnen, Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Nederland die alle vier in het eerste kwartaal met ongeveer 13% zijn gestegen. Tegelijkertijd wordt de tegenvallende ontwikkeling van Duitsland duidelijk. Hoewel een stijging van 9% natuurlijk nog altijd prachtig is, dient ook deze ontwikkeling tegenover de desastreuze ontwikkeling van de Duitse beurs in 2018 te worden gezet. Over het hele jaar 2018 daalde de Deutsche Aktienindex met maar liefst 18,3%. De koersstijging van 9% in het eerste kwartaal had nog altijd een daling van bijna 11% tot gevolg als we meten vanaf 1 januari 2018, ofwel over vijf kwartalen. De oorzaak moet worden gezocht in het negatieve verloop van de Duitse economie met de automobielindustrie als kwade genius. Deze sector heeft het zeer zwaar vanwege het dieselschandaal en de klimaatafspraken die de Duitse overheid aan de sector wil opleggen.

2 Economisch beeld

Hoewel de financiële markten, vooral onder invloed van de gedaalde rente en het nieuws dat Amerika en China tenminste weer met elkaar in gesprek zijn, een schitterend eerste kwartaal achter de rug hebben, is de onzekerheid over met name de Europese economie flink toegenomen. Hier zijn een aantal redenen voor. Om te beginnen is het vertrouwen van Duitse ondernemers in het eerste kwartaal behoorlijk gedaald. Een andere indicatie is het feit dat rente voor leningen met een looptijd van 10 jaar nu lager is dan de kortlopende rente. Een langlopende lening van bijvoorbeeld 10 jaar is goedkoper dan een kortlopende lening van bijvoorbeeld 1 jaar. Dat is uiteraard onlogisch omdat de lengte van een krediet bepalend is voor de rente. Omdat beleggers hun geld liever voor een kortere dan een langere termijn uitlenen, is dit verschijnsel voor financiële markten een indicatie voor een economische terugval. Van een recessie zal het waarschijnlijk niet komen maar het is wél duidelijk dat de economieën van Europese landen zullen afkoelen. Mogelijk krijgen we in het laatste kwartaal weer een lichte opleving. De belangrijkste aanwijzingen hiervoor zijn dat de consumentenbestedingen vooralsnog goed op peil blijven en de overheidsuitgaven nog steeds toenemen.

3 ECB

Eind maart vond de jaarlijkse ECB-conferentie plaats in Frankfurt, waarbij vier van de zes bestuurders van de ECB het woord namen. Voor deze conferentie worden centrale bankiers, economen, vermogensbeheerders, analisten en journalisten uitgenodigd. Uiteraard sprak Mario Draghi over de afgenomen groei in de eurozone, waarvan de daling al in het derde kwartaal van 2018 was ingezet. Daarbij gaf hij aan dat de ECB verwacht dat de groei geleidelijk weer zal aantrekken. Ook neemt Draghi aan dat de lage inflatie, zoals we deze in de afgelopen paar jaar gezien hebben, voorlopig nog wel even zal aanhouden, maar dat ook deze op de lange termijn wel naar boven bijgesteld zal worden. Zijn conclusie is gebaseerd op de krappe arbeidsmarkt binnen de eurozone, waar de lonen bovendien zijn gestegen, ondanks de afgenomen externe vraag naar producten en diensten. Deze loonstijging heeft zich nog niet door vertaald in het prijsniveau van producten en diensten. De ECB neemt aan dat bedrijven te huiverig waren om de hogere loonkosten door te berekenen in hun prijzen, vanwege de afgenomen vraag in het afgelopen jaar.

 

Waar Draghi zijn gehoor echt mee verraste, was zijn uitspraak dat de ECB zo nodig bereid is te kijken hoe banken gecompenseerd kunnen worden voor de negatieve rente, die zij moeten betalen als deze hun overtollige middelen uitzetten bij de ECB, hetgeen erop kan wijzen dat de ECB aandacht heeft voor de winstgevendheid van de banken. Dit is met name belangrijk omdat sinds de kredietcrisis een sterke roep uit de samenleving klinkt dat banken zich zouden moeten beperken tot het aantrekken van spaargeld en solide kredietverlening. Zij zouden zich verre moeten houden van risicodragende investeringen. Het gegeven dat banken momenteel geld moeten toebetalen als zij middelen uitzetten bij de ECB, heeft een negatief effect op de winst van banken en dat lijkt haaks te staan op hetgeen maatschappelijk gewenst is.

 

Hoewel Draghi met zijn speech vooral de financiële markten gerust wilde stellen door te communiceren dat een recessie nog niet gelijk op de loer ligt, sloot hij zijn speech echter wel af met een opvallend statement: in het geval de vooruitzichten op middellange termijn toch zouden verslechteren, dan zal de ECB alle monetaire middelen die zij ter beschikking hebben, inzetten om hun doelstelling te bereiken. En hoewel dit doel officieel alleen bestaat uit het bewerkstelligen van prijsstabiliteit binnen de eurozone en dus een ongewenst hoge en lage inflatie te voorkomen, is deze doelstelling officieus uitgebreid naar het bevorderen van de economische groei binnen de eurozone.

4 De Brexit

Vrijdag 29 maart had dé dag moeten zijn: al twee jaar stond deze datum vast, waarop het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zou stappen, mits er tussentijds geen andere afspraken zouden worden gemaakt. In de loop van het vorige jaar zag het er echter al naar uit dat het de Britten helemaal niet zou gaan lukken om deze deadline te halen. Hoewel premier May in december van het vorige jaar (eindelijk) een conceptakkoord met de Europese Unie bereikte over de voorwaarden van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, bleek de steun voor dit akkoord binnen de eigen regeringspartij van May (de Conservatieve Partij), haar kabinet en het Britse Lagerhuis maar zeer gering te zijn. May bracht haar deal op 15 januari voor de eerste keer ter stemming, maar leed toen de grootste nederlaag in de historie van het Britse Lagerhuis. Op 12 maart probeerde May, die tussentijds met de EU trachtte te onderhandelen over de zogeheten ‘backstop’, het opnieuw. Wederom werd haar plan met een ruime meerderheid verworpen.

 

Met nog maar 17 dagen te gaan tot de Brexit deadline van 29 maart en een toenemend risico dat het Verenigd Koninkrijk zonder enige vorm van akkoord uit de EU zou stappen (het gevreesde no-deal scenario), stemde een meerderheid van het Lagerhuis op 14 maart in met een aanvraag van uitstel bij de Europese Unie. De Europese lidstaten, die de chaos in de Britse politiek op de voet volgen, leken niet op een no-deal Brexit te willen aansturen en gingen akkoord met een kort uitstel.

 

De bal lag nu bij het Lagerhuis. Er werd op 27 maart over acht alternatieve plannen gestemd: 

  • Een no-deal Brexit op 12 april (400 stemmen tegen en 160 stemmen voor);

  • Het Noorse model (283 stemmen tegen en 188 stemmen voor);

  • Een Brexit-vorm waarmee de Britten uit de douane-unie stappen, maar in de EER blijven en lid worden van de Europese Vrijhandelsassociatie met Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland (377 stemmen tegen en 65 stemmen voor);

  • Brexit, maar wel douane-unie (272 stemmen tegen en 264 stemmen voor);

  • Zachte Brexit, met douane-unie en deelname de interne markt (295 stemmen tegen en 268 stemmen voor);

  • Geen Brexit als er geen goedgekeurde deal ligt (293 stemmen tegen en 184 stemmen voor);

  • Een tweede Brexit-referendum (295 stemmen tegen en 268 stemmen voor);

  • Twee jaar uitstel (422 stemmen tegen en 139 stemmen voor).

 

Voor geen enkel voorstel was een meerderheid te vinden, al bleek wel uit de resultaten dat de meeste ruimte voor een meerderheid ligt bij ofwel een zachte Brexit of het organiseren van een nieuw referendum. Twee dagen later werd het voorstel van May voor de derde keer in stemming gebracht. In een ultieme poging om een meerderheid te behalen, kondigde May aan dat zij zou aftreden wanneer haar Brexit-plan zou worden aangenomen. Deze mededeling had slechts een beperkt effect: verschillende hardliners uit de Conservatieve Partij, zoals Boris Johnson, stemden nu ineens wél voor het plan van May. Dit deden zij echter niet uit landsbelang of omdat ze toch tegen een harde Brexit waren, maar omdat zij voorsorteerden op de mogelijk vacante positie van premier. Voor de stemming maakte het weinig uit: op vrijdag 29 maart werd het voorstel voor de derde keer afgewezen door het Lagerhuis.

 

De impasse was daarmee compleet. Op het moment van schrijven is de status quo dat het Britse Lagerhuis geen kans heeft gezien om buiten het kabinet om overeenstemming te bereiken over het te volgen pad. Opvallend genoeg blijft premier May erop hameren dat ze vastbesloten is om ‘de wil van het Britse volk’ uit te voeren en dat de Brexit er hoe dan ook gaat komen. Waar zij aan voorbij lijkt te gaan, is dat de meerderheid van de kiezers die tijdens het referendum vóór een Brexit stemde, ontzettend krap was. Hieruit blijkt dat het volk verdeeld is en bijna de helft van de Britten bij de EU zou willen blijven. Deze verdeeldheid zien we ook weerspiegeld in het parlement: zowel binnen Labour als binnen de Conservatieven is sprake van twee kampen en dit maakt het extra moeilijk om tot een werkbare oplossing te komen. De meeste Brexiteers binnen Labour willen de conservatieve premier niet steunen en omgekeerd zijn de Remainers onder de Conservatieven niet onvoorwaardelijk bereid om achter ‘hun’ premier te gaan staan.

 

Theresa May lijkt al haar opties, om haar eigen Brexit-plan door het Lagerhuis te krijgen, te hebben gebruikt en beraadt zich over een nieuw Brexit plan. Hiervoor is ze in gesprek gegaan met haar politieke rivaal, Jeremy Corbyn, partijleider van de Labour Party. Dit stelt Corbyn voor een lastig dilemma. Zijn grote ambitie om May als premier op te volgen, kan alleen verwezenlijkt worden door nieuwe verkiezingen. De kans op nieuwe verkiezingen is het grootst als de besprekingen tussen May en Corbyn stuk lopen en May zich door de politieke chaos gedwongen voelt om verkiezingen uit te schrijven teneinde de impasse te doorbreken. Hier moet dan wel twee derde deel van het Lagerhuis mee instemmen en de kans daarop is zeer klein, aangezien de regerende Conservatieven niks voelen voor verkiezingen, waar zij naar alle waarschijnlijkheid de macht zullen verliezen.

 

Anderzijds valt er voor Corbyn ook te winnen, wanneer hij tot een deal met premier May komt. Hij zal dan worden gezien als de man die wél zijn verantwoordelijkheid nam en de Brexit uiteindelijk mogelijk maakte. Maar een deal tussen Corbyn en May is nog niet snel gemaakt, want niet alleen May zal concessies moeten doen, maar ook Corbyn’s eigen achterban bij Labour is sterk verdeeld over de aanpak van de uittreding uit de Europese Unie. Een deal zal hem altijd op de woede van een deel van zijn partijgenoten komen te staan. Persoonlijke politieke belangen, het partijbelang en het landsbelang lopen hier op een ingewikkelde manier door elkaar en uiteindelijk zal veel afhangen van het vermogen van Britse politici om het landsbelang boven hun eigen belang of het partijbelang te stellen om zo tot een oplossing te komen.

 

Nadat diverse parlementaire pogingen om uit de impasse te geraken, waren mislukt, hebben de Europese regeringsleiders de Britten uitstel gegeven tot 31 oktober 2019. Een harde Brexit is voorlopig nu weer afgewend. Als het aan premier May ligt, komt het niet zo ver: zij zal er alles aan doen om de uittreding voor 23 mei geregeld te hebben. Als dat niet lukt, ontkomt het Verenigd Koninkrijk niet aan deelname aan de Europese verkiezingen. Om dát op een geloofwaardige manier uit te leggen aan de Britse kiezer, is bijna net zo moeilijk als het Brexit-proces zelf.

5 Vooruitzichten

De spanningen die in de tweede helft van 2018 aanleiding waren voor een veel meer terughoudende opstelling van de financiële markten ten opzichte van de wereldwijde economische ontwikkelingen, zijn grotendeels weggeëbd. Zo lijkt het handelsconflict tussen China en de Verenigde Staten te zijn beslecht en is het nog wachten op de afspraken die de economische mogendheden met elkaar hebben gemaakt. De gevreesde afkoeling van de Chinese economie lijkt lang zo erg niet te zijn als in 2018 nog werd verwacht, al komt dat voor een belangrijk deel door het centraal ingrijpen van de Chinese overheid (stimuleringspolitiek). De Amerikaanse economie groeit stevig door zonder dat zich een vernietigende loon-prijsspiraal openbaart. Deze uitblijvende inflatie heeft tot gevolg dat de FED niet met renteverhogingen hoeft te dreigen en haar beleid van voorgenomen renteverhogingen zelfs heeft bijgesteld. Dit alles heeft de aandelenbeurzen in de Verenigde Staten gunstig gestemd en de goede winstcijfers van de Amerikaanse bedrijven staat een verdere stijging van de koersen natuurlijk niet in de weg. Wij zijn dan ook aanhoudend optimistisch over het beleggingsklimaat in de Verenigde Staten.

 

Dit is geheel anders in Europa waar de krachtigste aanjager van de Europese economie, Duitsland, zelf stagneert. Een belangrijke oorzaak daarvan is de in zwaar weer verkerende automobielsector die meer dan 15% bijdraagt aan het Duitse bruto binnenlands product (bbp). Daarnaast blijft Europa verdeeld op vele fronten. De Brexit lijkt inmiddels een geïsoleerd Brits probleem te zijn geworden, maar een groeiend deel van Europa ziet steeds minder in de dirigerende rol van het ondemocratische Brussel. Zo wil de Italiaanse vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini zich in Europa sterk maken voor een nieuwe Europese Unie waarbij de macht wordt teruggegeven aan de nationale staten. Met zijn ENF-fractie in het Europese Parlement (Europe of Nations and Freedom) werpt hij zich, met steun uit andere landen, op als leider van een Europese alliantie die zich vooral opstelt tegenover de fanatiek Europagezinde president Macron. Maar ondertussen blijven belangrijke hervormingen in Mediterraan Europa, inclusief Frankrijk) nog steeds achterwege.